een [AYN], twee [TVAY], drie [DREE], vier [VEER], vijf [VIGHF], zes [ZESS], zeven [ZAY-fen], acht [A/CH/T], negen [NAY-/ch/un], tien [TEEN], elf [ELF], twaalf [TVAHLF], dertien [DER-teen], veertien [VEER-teen], vijftien [VAYF-teen], zestien [ZES-teen], zeventien [ZAYven-teen], achttien [a/ch/-teen], negentien [NAY-/ch/un-teen], twintig [TVIN-ti/ch/], eenentwintig, tweeëntwintig, eenendertig, tweeëndertig
2021-10-12: Ik beg*reep [ay] het woord niet. Het woord dat je zei [zay]. Waar is de bus naar het centrum van [fun] de stad? [stot] De bus is daar. Ik blijf drie dag*en in Rotterdam. [ROH-ter-DOM] Zondag(CH*) loop [lohp] ik de marathon. Ik spreek [ay] vloeiend [FLOO-ee-ent] Duits [doubts] en Engels. Dat is de reden [RAY-deh] waarom Nederlands voor mij [may] g*emakkelijk [lik] te leren [LEHR-eh] is. Trouwens, [tr/ow/-ens] ik heb een [en] vraag. [frAH*ch] Hoe kan ik hier een fiets huren? [WHOO-rah] Loop jij [y/eye/] zondag ook de marathon?
2021-10-13: Vandaag [fun-dah*] heb ik veel [feel] te doen. Morgen [MOR-*eh] en gisteren [*HIS-tair-ah] zijn [z/eye/] niet vandaag. [fun-DA*] Ik moet nu mijn website programmeren [reh] zodat de flashcards werken. [vair/$/keh] Wij [v/eye/] zien [zeen] het vanaf [fun-AFF] hier. Sommige [*] woorden [WOHR-deh] zijn lastig [*], bijvoorbeeld [bi-FOR-belt]: Ik zag de bus gisteren. [HIS-tair-ah] Ik zei het woord gisteren. Ik was hier [$] gisteren. Ik ben er drie keer geweest. Ik begreep [**] niet wat je zei [zigh], zou [zow] je het kunnen herhalen. [kuhnna hair-HAHL-ah]
2021-10-14: Ik wil Nederlands leren in de Trein. [trayn] Op weg naar Rotterdam heb ik Nederlands geleerd in de Trein.
2021-10-15: Wat spannend dat je de marathon loopt! Ik wil vandaag versie [FAIR-see] 2 produceren. [SEE-rah]


the number of de-words is about twice as large as the number of het-words
